Tag: poëzie

Socrates in Utrecht

06-socrates

Mijmerend door Utrecht wandelend lees ik op een raam in de Lange Nieuwstraat de volgende filosofische tekst:

“De mensen die mijn gezelschap opzoeken, winnen daar verbluffend veel bij,
zowel in hun eigen ogen als in die van anderen.

Toch hebben ze van mij nooit iets geleerd, laat dat duidelijk zijn.
Aan de kostbare inzichten waarmee ze hun voordeel doen,
hebben zij zelf geboorte gegeven.

Maar het verloskundige werk neem ik voor mijn rekening.”

(Socrates)

Huis van oma

04-huis van oma

Uit: Het huis van oma:

Soms denk ik:
waarom woon ik in dit huis,
in deze straat, in deze wijk, in deze stad,
in dit land,
bij deze ouders?
Waarom precies hier?
Waarom precies bij hun?
Is het toevallig?
Had ik niet net zo goed in
een ander huis, in een
andere straat, een andere stad,
een ander land kunnen wonen?
Had ik niet net zo goed
andere ouders kunnen hebben?
Ik weet het niet,
ik weet alleen
dat ik niet anders zou willen.
(Soms wel.)

Anton van der Kolk, 2005 | www.antonvanderkolk.nl

Klein Geertekerkhof

44-geerte kerkhof

Verscholen in een hoek van het Klein Geertekerkhof lees ik op de gevel: ‘School No.1 Der Nederlandse Hervormde Gemeente’.

Dit was eens een Bewaar- en Lagere school, ook bekend als ‘Nederlands Hervormde Diaconieschool. In 1895 wordt deze school al genoemd.

De stad kende zes Hervormde Diaconiescholen waarvan de eerste al in 1748 gesticht was om kinderen van arme bedeelde lidmaten ‘die leefden als het woeste heydendom zonder kennis van god en godsdienst buyten alle burgerlijke bekwaamheden ruw en losbandig’ weer op het juiste pad te krijgen. De school is eind jaren dertig opgeheven.

Vanaf begin jaren vijftig was dit pand als atelier in gebruik door Alain Teister (1932-1979), pseudoniem van Jacques Boersma. Hij was dichter, schrijver en kunstschilder. En lid van de Utrechtse kunstenaarsgroep ‘De Luis’, waartoe ook o.m. William (Dirkje) Kuik en Peter Vos behoorden.

J.C.Bloem: De Sluis

43-weerdsluis0 (1)

Het is vijftig jaar geleden dat de dichter Jacques Bloem (1887 – 1966) overleed. Hij studeerde rechten in Utrecht en woonde in 1931 ook kort in Breukelen. In die tijd schreef hij het gedicht ‘De sluis’.

De stilte en koelte waren weergekeerd,
Het nachtlijk feest lag als een glas versmeten.
Ik heb dit late donker nooit vergeten,
Want deze dingen blijven ongedeerd.

Een ongeweten, innerlijk geweld
Had naar een zwart kanaal mij heengedreven.
Het was het uur, dat de wiekslag van ’t leven
Weer trilt in die de slaap heeft neergeveld.

Daar hoorde ik het vervoerende geruis:
Wateren, die van vóór de tijden bronden,
Bezweringen van lang-gestorven monden:
Het zachte stromen door de nauwe sluis.

Ik stond, alleen gebleven, ongekend,
In doodlijke verrukking opgetogen,
Naar onweerstaanbare diepten neergezogen,
Gebannen in het ademloos moment.

Toen werden ’t water grijzer en de straat,
En ging hun nachtelijk geheim verloren,
En boven donkere huizen werd geboren
Een kille en groezelige dageraad.

Op zijn zeventigste keert Bloem terug naar Utrecht en mijmert opnieuw bij de sluis in het schitterende gedicht ‘Utrecht: Bemuurde Weerd’. Hij stelt vast dat het water, de sluis en de huizen hetzelfde zijn gebleven, maar het besef van zijn sterfelijkheid levend is geworden:

Het water stroomt nog door dezelfde sluis
Als toen, en maakt het eendere geruis.

De huizen, aan de waterkant daarneven,
Zijn feitelijk ook onaangerand gebleven.

Alleen nabijer is, voor wie ze ontvlood,
De zekerheid van de imminente dood.

Weerdsluis

bemuurde weerd

De Weerdsluis tussen de Vecht en de Stadsbuitengracht, waarover J.C. Bloem al dichtte (twee keer zelfs in 1931 en 1957), zijn nog steeds volop in gebruik, nu voornamelijk om pleziervaartuigen de stad in en uit te laten.

Ingmar Heytze kijkt in zijn ‘Tweeluik sluis Bemuurde Weerd’ uit zijn bundel ‘Utrecht voor beginners 1999 – 2009’ op een andere manier naar de sluizen dan de dichter J. C. Bloem indertijd:

dag
De zomer gooit het Utrechts licht
in scherven door het stalen wiel.

Een blauwe wachter
zet het zware uurwerk
van de stad gelijk.

Kunststof jachten drijven langs
zeewaardig als een stromatras.

Aan boord ligt glimmend vlees te kijk.
te zonnen buiten handbereik.

nacht
De wachter is naar huis gegaan.
Het zwarte water fluistert
om een sprong die geest en lichaam scheidt.

Wie zwicht wordt morgen opgedregd,
grijsblauw, in de provinciekrant.
Huizen staren wit als krijt.

Het wiel draait films van water door:
de sluis maakt kiekjes van de kosmos
met de nacht als sluitertijd.

bemuurde weerd2

Het Hanengeschrei

hanen geschrei 800

Vanaf de Choorstraat kijken we door de 10 m lange steeg het Hanengeschrei in naar de Kalisbrug op de Vismarkt. In de 16e eeuw bestond deze steeg reeds. De oorsprong van de naam is niet helder. Er zijn twee verklaringen:

De naam zou een verbastering zijn van ‘Hanentret’, de naam van een huis in een steeg nabij de Buurkerk en die naam zou weer afgeleid zijn van een pluimveemarkt, op of nabij de Steenweg.

Hanengeschrei is latijn voor galli cantus en komt uit het verhaal van de verloochening van Petrus. Petrus huilde tranen van berouw, toen hij bij het kraaien (cantus) van de haan (galli) besefte dat hij Christus had verloochend.

Hoe het ook zij, de steeg heeft anderen tot inspiratie gediend. Zo dichtte Kees Stip op jolige wijze in 1935 ‘Ik heb haar gezoend in Het Hanengeschrei…’ Als je weer eens in de buurt bent, dan kan je het volledige gedicht ter plekke lezen.

Voormalig stadsdichter Ingmar Heytze bezong in 2001 ook het Hanengeschrei, maar deed het bedachtzamer en melancholieker:

Je kunt hier door je neus gaan zingen,
hard en dun, over de zoektocht
naar een hart van zuiver goud.
Zo word je vanzelf wel oud.

Intussen raakt je stem gehavend,
ijl en vals. Op warme dagen
kiert het zonlicht door je ribben
en je rauwgeschreeuwde longen.

Inmiddels ligt je pad bezaaid
met harten van gebroken glas
en smeltend ijs, van steen en lood,
oud ijzer, schroot en stro en hout;

je hebt je hond al doodgezongen
en je vingers worden koud.

Jacobikerkhof

01-jacobikerk 960

 

De Jacobikerk stamt uit de 13e eeuw. Gek idee eigenlijk dat het vroeger een katholieke kerk was, maar vanaf 1586 is zij protestants.

De patroonheilige was de apostel Jacobus, en de kerk werd dan ook bezocht door pelgrims op weg naar Santiago de Compostella. De Jacobsschelp was het belangrijkste symbool van deze pelgrimage.

De orkaan in 1674, die ook het schip van de Domkerk deed instorten, trof ook deze kerk. De spits waaide eraf. Het duurde bijna 280 jaar (!) voordat er een nieuwe spits op kwam.

Op de torenspits kwam een windvaan in de vorm van een Jacobsschelp. Tevens werd de toren opnieuw bekleed met tufsteen (de nieuwe mantel uit onderstaand gedicht).

Aan de zijde van het Jacobikerkhof werd na de restauratie de gevelsteen ‘1674-1953’ aangebracht met dichtregels van de in Utrecht geboren Jan Engelman (1900-1972):

Een nieuwe mantel schonken mij
Bestuurderen en Burgerij
Wat de orkaan mij heeft ontnomen
is door hun gunst weerom gekomen
Prijs God, O welgemaakte steen
Gij spits, wijs naar de hemel heen
Jacobus wil aan Utrecht leeren

door stormen veilig Pelgrimeren

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén