Mijn Dom

 

Ik ging lezen over de Dom, plaatjes verzamelen en vooral feiten. Voor een kind van tien wist ik veel van mijn stenen wonder.

Als ik andere torens zag, vond ik ze namaak. En als ik ergens één vlag op een spits zag wapperen, vond ik dat maar een armzalige vertoning. De vierhonderdvijfenzestig treden deden mij elk trappenhuis zien als een zoveelste gedeelte van mijn Dom.

Voor de hoogte van de toren was het van belang of je vond dat St. Maarten erbij hoorde of alleen versiering was. Ik vond dat iemand die voor een bedelaar een stuk van zijn mantel afsneed, zeker mocht meetellen en dat de Dom dus honderdtwaalf meter hoog was.

Eén geluk had ik: de Dom kon worden beklommen. Vele malen gingen wij met mijn vader de Dom op, want een kwartje de man was te overzien, we waren vele uren van de vloer en kwamen lekker moe thuis, hetgeen mijn ouders met hun grote rumoerige gezin soms heel goed uitkwam.

Mijn broertjes en ik klommen dan als een kleine stoet achter mijn vader aan alle treden op die door mij, ter controle, werden geteld. We stopten altijd weer op de eerste en tweede trans en keken naar de huizen die al heel klein waren.

Even rondlopen en dan de moeilijke laatste klim. Tegen het einde van de tocht werd de wenteltrap steeds smaller, de treden hoger en onze schoenen zwaarder. Maar we wisten dat we na het laatste poortje de hemel zouden zien en daar helemaal beneden Utrecht, onze stad.

Uit: ‘Ver van huis’, verhalen van Letty Kosterman (Utrecht 1935 – 2017) | Uitgave 1991

Eén gedachte over “Mijn Dom”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *