Servaasklooster

02-servaasklooster

Het stuk Nieuwegracht, voorbij de Eligenstraat, staat bekend als ‘Onder de Linden’. Aan de overzijde ligt het Servaasbolwerk. Wat opvalt is, dat de werf hier ophoudt. Het plantsoen loopt hier van een talud af naar het water. De gelegenheid om een werf met kelders onder de straat te bouwen is hier niet benut.

Even verderop ligt het bolwerk Sonnenborgh. Het Servaasbolwerk heeft echter niets met een bolwerk te maken. De naam is ontleend aan het St. Servaasklooster, wat hier vanaf 1232 stond. In de St. Servaasabdij, een vrouwenklooster, leefden de nonnen in devotie, soberheid, armoede en zonder contact met de buitenwereld. Het terrein was geheel ommuurd.

De nonnen hadden weinig nodig. Toen rond 1390 de Nieuwegracht werd gegraven, werd de abdij vermoedelijk al bevoorraad vanaf de Stadsbuitengracht en was er geen behoefte tot opslag van goederen aan de grachtzijde. Op een oude kaart is te zien, dat aan de zijde van de Nieuwegracht, achter de kloostermuur gedeeltelijk een tuin grensde.

In 1687 werd de abdij gedeeltelijk opgeheven. De kerk bleef nog tot begin 19e eeuw bestaan. De ruïnes zijn in 1832 afgebroken, waarna Zocher hier het eerste deel van zijn Singelplantsoen voltooide.

Vergeten kerk

19-predikheren kerkhof

De eerste vermelding van het ‘Preeckerskerckhoff’ is uit 1598. Maar deze plek heeft een oudere geschiedenis. In de 13e eeuw stond hier een klooster van de orde der Dominicanen of Jacobijnen. Hun derde naam was, omdat ze dat in de eerste plaats deden, Predikheren.

21-400 predikheren kerkhofHet klooster stond op de hoek met de Breedstraat. Onder het monumentale 17e eeuwse pand aan het Predikherenkerkhof 9 zijn vondsten gedaan, welke herinneren aan dit klooster. Onderdeel van het klooster was de Predikherenkerk.

Handwerkslieden als Leerlooiers, die hun nering hadden in de Lauwerstraat nabij de Oosterstroom, bezochten deze kerk. Naar deze Looiers of Lauwers zijn de Lange – en Korte Lauwerstraat vernoemd. Het zijn vermoedelijk de oudste straten van de stad.

De nabijgelegen Jacobijnenstraat herinnert nog aan deze orde der Jacobijnen. Na de reformatie in 1580 is het klooster met de Predikherenkerk gesloopt.

Andreasklooster

15-andreas klooster

Als ik op de Springweg kom, wordt ik altijd een wijle devoot als ik de gevel passeer, waar Maria met kind en de apostel Andreas mij aanstaren. Toch is dit voormalige Andreasklooster al lang geen godvruchtig huis meer. Achter deze gevel gaan comfortabele appartementen schuil.

In 1873 gebouwd als katholiek ziekenhuis door de bekende architect Alfred Tepe. Hij ontwierp in de stad o.m. het Hiëronymushuis aan de Maliesingel; de St. Willibrorduskerk in de Minrebroederstraat en de St. Martinuskerk aan de Oudegracht.

Na een grondige verbouwing in 1983, was het tot 2001 in gebruik als klooster door de ‘Zusters van Liefde’. Daarna werd het gebouw deels gesloopt en verbouwd tot appartementen. De grote kloostertuin is echter bewaard gebleven.

Haan van de Nicolaïtoren

klaasje (1)

In 1787 toen de stad zich opmaakte om de Pruisen weerstand te bieden, stond er nabij de Nicolaïkerk, herberg ‘de Doelen’, waar veel schutters kwamen. Naast Utrechters kwamen er ook jagers uit het Duitse Salm.

De jagers uit Salm hadden het hoogste woord. Zij pochten de beste schutters te zijn. Op een dag beweerden zij dat geen Utrechter de haan op de Nicolaïtoren met een geweer kon raken.

Kastelein Ten Hagen van ‘de Doelen’, sergeant bij het korps Utrechtse jagers, sloot een weddenschap af, dat hij de haan beter zou raken dan de Salmse jagers. Een Salmse scherpschutter schoot eerst en trof, onder gejuich van zijn mede-jagers, de haan in de staart.

Maar de kastelein zei: “Door een schot in de staart is de haan nog niet dood”. Ten Hagen schoot: en met een welgemikt schot trof de kogel de haan in de hals. Waarmee hij bewees dat ook Utrechters wel mans waren. De Salmse jagers dropen af.

Omstreeks 1840 waren de uitgeroeste gaten in de torenhaan nog zichtbaar…

Jacobikerkhof

01-jacobikerk 960

 

De Jacobikerk stamt uit de 13e eeuw. Gek idee eigenlijk dat het vroeger een katholieke kerk was, maar vanaf 1586 is zij protestants.

De patroonheilige was de apostel Jacobus, en de kerk werd dan ook bezocht door pelgrims op weg naar Santiago de Compostella. De Jacobsschelp was het belangrijkste symbool van deze pelgrimage.

De orkaan in 1674, die ook het schip van de Domkerk deed instorten, trof ook deze kerk. De spits waaide eraf. Het duurde bijna 280 jaar (!) voordat er een nieuwe spits op kwam.

Op de torenspits kwam een windvaan in de vorm van een Jacobsschelp. Tevens werd de toren opnieuw bekleed met tufsteen (de nieuwe mantel uit onderstaand gedicht).

Aan de zijde van het Jacobikerkhof werd na de restauratie de gevelsteen ‘1674-1953’ aangebracht met dichtregels van de in Utrecht geboren Jan Engelman (1900-1972):

Een nieuwe mantel schonken mij
Bestuurderen en Burgerij
Wat de orkaan mij heeft ontnomen
is door hun gunst weerom gekomen
Prijs God, O welgemaakte steen
Gij spits, wijs naar de hemel heen
Jacobus wil aan Utrecht leeren

door stormen veilig Pelgrimeren