J.C.Bloem: De Sluis

43-weerdsluis0 (1)

Het is vijftig jaar geleden dat de dichter Jacques Bloem (1887 – 1966) overleed. Hij studeerde rechten in Utrecht en woonde in 1931 ook kort in Breukelen. In die tijd schreef hij het gedicht ‘De sluis’.

De stilte en koelte waren weergekeerd,
Het nachtlijk feest lag als een glas versmeten.
Ik heb dit late donker nooit vergeten,
Want deze dingen blijven ongedeerd.

Een ongeweten, innerlijk geweld
Had naar een zwart kanaal mij heengedreven.
Het was het uur, dat de wiekslag van ’t leven
Weer trilt in die de slaap heeft neergeveld.

Daar hoorde ik het vervoerende geruis:
Wateren, die van vóór de tijden bronden,
Bezweringen van lang-gestorven monden:
Het zachte stromen door de nauwe sluis.

Ik stond, alleen gebleven, ongekend,
In doodlijke verrukking opgetogen,
Naar onweerstaanbare diepten neergezogen,
Gebannen in het ademloos moment.

Toen werden ’t water grijzer en de straat,
En ging hun nachtelijk geheim verloren,
En boven donkere huizen werd geboren
Een kille en groezelige dageraad.

Op zijn zeventigste keert Bloem terug naar Utrecht en mijmert opnieuw bij de sluis in het schitterende gedicht ‘Utrecht: Bemuurde Weerd’. Hij stelt vast dat het water, de sluis en de huizen hetzelfde zijn gebleven, maar het besef van zijn sterfelijkheid levend is geworden:

Het water stroomt nog door dezelfde sluis
Als toen, en maakt het eendere geruis.

De huizen, aan de waterkant daarneven,
Zijn feitelijk ook onaangerand gebleven.

Alleen nabijer is, voor wie ze ontvlood,
De zekerheid van de imminente dood.

Een reactie plaatsen