Dagelijks leven Nieuw Engeland in de oorlog

De bewoners van Nieuw Engeland hadden het tijdens de hongerwinter van 1944/1945 niet beter of slechter dan de rest van de stad. Zoals overal heerste hier een nijpende brandstofschaarste. De rij kastanjebomen die aan de noordkant van het Schimmelplein waren geplant, moest het dan ook ontgelden. De bomen zijn allemaal gekapt. Dit was voor de bewoners de enige manier om nog aan brandstof te komen. 

De in 1952 met zijn ouders, broers en zusters geëmigreerde Govert Schinkel herinnerde zich nog de sirene op het dak van de school aan de M.P. Lindostraat, die bij bombardementen een oorverdovend geloei gaf. ‘De winter van ’44 – ’45 was het ergst. Mijn vader had een melkzaak op de hoek van de M.P. Lindostraat en de van Lennepstraat. Eerst stalen de Duitsers zijn transportfiets. Zijn zaak was toen kapot. Dit was één van de redenen waarom wij naar Canada zijn gegaan. Om te overleven moesten we stelen van de Duitsers. We braken spoorwagens open om te zien of er iets eetbaars in zat. Soms werden we beschoten door de politie, die we groene kikkers noemden. Geen gas, geen eten, geen licht, enkel maar ronddwalen door de stad om iets eetbaars te vinden. 

En toen kwam de bevrijding. De school in de M.P. Lindostraat zat vol met Canadese soldaten, trucks en kleine pantserwagens op rupsbanden. Drie weken daarvoor waren voedselpakketten neergegooid in de Lage Weide. Wat een gezicht was dat! Het bevrijdingsfeest op het M.P. Lindoplein zal ik nooit vergeten. Het hele plein was versierd en er werd gehost en gedronken en de soldaten waren net zo blij als wij. 

 

Bron: Nieuw Engeland Nieuws, september 1998