3e Buurkerksteeg

Een doorkijkje vanaf het Buurkerkhof naar de Donkerstraat met zicht op het Huis Zoudenbalch met zijn rode luiken.

Evert Zoudenbalch was een invloedrijk man. Hij liet vanaf 1467 een vorstelijke woning bouwen, een stadskasteel in de Donkerstraat; het Zoudenbalchhuis.

Om in de smalle en sombere Donkerstraat meer licht te brengen, kocht en sloopte hij huizen aan de overkant en liet er de Zoudenbalchstraat aanleggen. Nu de 3e Buurkerksteeg. Maar ook breidde hij zo de toegang tot zijn Huis uit.

Achter het Huis was een grote hof. Via een ruime achterpoort in de Mariastraat was deze hof te bereiken.

Het Huis had verschillende bestemmingen. Zo was het een weeshuis, ambachtsschool en zelfs als pakhuis in gebruik. Het is in 2011 van binnen omgebouwd tot stadsappartementen.

Jacobikerkhof

De Jacobikerk stamt uit de 13e eeuw. Gek idee eigenlijk dat het vroeger een katholieke kerk was, maar vanaf 1586 is zij protestants.

De patroonheilige was de apostel Jacobus, en de kerk werd dan ook bezocht door pelgrims op weg naar Santiago de Compostella. De Jacobsschelp was het belangrijkste symbool van deze pelgrimage.

De orkaan in 1674, die ook het schip van de Domkerk deed instorten, trof ook deze kerk. De spits waaide eraf. Het duurde bijna 280 jaar (!), tot 1953, voordat er een nieuwe spits op kwam.

Op de torenspits kwam een windvaan in de vorm van een Jacobsschelp. Tevens werd de toren opnieuw bekleed met tufsteen (de nieuwe mantel uit onderstaand gedicht).

Aan de zijde van het Jacobikerkhof werd na de restauratie de gevelsteen ‘1674-1953’ aangebracht met dichtregels van de in Utrecht geboren Jan Engelman (1900-1972):

Een nieuwe mantel schonken mij
Bestuurderen en Burgerij
Wat de orkaan mij heeft ontnomen
is door hun gunst weerom gekomen
Prijs God, O welgemaakte steen
Gij spits, wijs naar de hemel heen
Jacobus wil aan Utrecht leeren

door stormen veilig Pelgrimeren

De Lijnmarkt

De Lijnmarkt behoort tot de alleroudste straten van de stad. In de tijd van St. Willibrord bestond deze straat al. Oorspronkelijk was alleen de westzijde bebouwd.

In de 14e eeuw ging men ook de oostzijde, aan de Oude Gracht, bebouwen. De achterkant van deze huizen hebben geen werven, waardoor dit een beetje op Venetië lijkt.

Toen de oostzijde nog onbebouwd was aan de druk bevaren Oude Gracht, was hier een touwmarkt. De Lijnmarkt dankt zijn naam aan de lijnen, de scheepstouwen, die hier te koop waren. Achter de huizen aan de westzijde zaten toen toen ook veel touwslagersbedrijven.

Foto: Lijnmarkt in 1932 (HUA)

Mijn Dom

 

Ik ging lezen over de Dom, plaatjes verzamelen en vooral feiten. Voor een kind van tien wist ik veel van mijn stenen wonder.

Als ik andere torens zag, vond ik ze namaak. En als ik ergens één vlag op een spits zag wapperen, vond ik dat maar een armzalige vertoning. De vierhonderdvijfenzestig treden deden mij elk trappenhuis zien als een zoveelste gedeelte van mijn Dom.

Voor de hoogte van de toren was het van belang of je vond dat St. Maarten erbij hoorde of alleen versiering was. Ik vond dat iemand die voor een bedelaar een stuk van zijn mantel afsneed, zeker mocht meetellen en dat de Dom dus honderdtwaalf meter hoog was.

Eén geluk had ik: de Dom kon worden beklommen. Vele malen gingen wij met mijn vader de Dom op, want een kwartje de man was te overzien, we waren vele uren van de vloer en kwamen lekker moe thuis, hetgeen mijn ouders met hun grote rumoerige gezin soms heel goed uitkwam.

Mijn broertjes en ik klommen dan als een kleine stoet achter mijn vader aan alle treden op die door mij, ter controle, werden geteld. We stopten altijd weer op de eerste en tweede trans en keken naar de huizen die al heel klein waren.

Even rondlopen en dan de moeilijke laatste klim. Tegen het einde van de tocht werd de wenteltrap steeds smaller, de treden hoger en onze schoenen zwaarder. Maar we wisten dat we na het laatste poortje de hemel zouden zien en daar helemaal beneden Utrecht, onze stad.

Uit: ‘Ver van huis’, verhalen van Letty Kosterman (Utrecht 1935 – 2017) | Uitgave 1991