Martin Bril

Het is deze maand (april 2019) tien jaar geleden dat Martin Bril overleed. Hij overleed veel te vroeg, 49 jaar oud. In 1959 was hij geboren in Utrecht en bracht een aantal jeugdjaren door op Kanaleneiland.

Martin schreef dagelijks een column voor ‘De Volkskrant’. In juni 2007 schreef hij in deze krant een prachtige ode aan de Vleutenseweg:


Alle wegen leiden naar Rome, maar er zijn er ook een paar die naar het centrum van Utrecht gaan. De Biltsestraatweg met in het verlengde de Biltstraat, de Amsterdamsestraatweg, de Weg der Verenigde Naties, om een paar verkeersaders te noemen. Maar de mooiste route Utrecht in, is over de Vleutenseweg – alleen die naam al.


VLEUTENSEWEG

Je hebt ook nog de Verlengde Vleutenseweg, de Oude Vleutenseweg, de Vleutense Brug, De Vleutense Vaart, de Vleutense Steenovenweg en Vleuten zelf, uiteraard, een dorp dat inmiddels dreigt te verdwijnen in de nieuwbouw van Leidse Rijn. Maar zelfs als Vleuten niet meer bestaat, zal de Vleutenseweg er nog zijn – dé weg om Utrecht in westelijke richting te verlaten. Rij hem in de zomer maar eens af, vanuit het centrum, en de zon hangt als een grote, gloeiende bal in de verte, bij het kruispunt met de Spinzoweg, waar de route naar het noorden buigt.

Zelf rijd ik liever de andere kant op: de stad in. Het plezier begint al bij de afslag van de A2, Oog in Al. Weliswaar maakt de infrastructuur daar een tijdelijke indruk, toch ben je al snel in het zicht van de oude Vleutense Brug over het Amsterdam-Rijnkanaal, met links de electriciteitscentrale van Nuon en vlak voor je, rechts, aan de andere kant van de brug, de dampende schoorstenen van Douwe Egberts. Een stad met industriele bedrijvigheid op zijn drempels, dat is pas een stad.

Meteen na de koffie buigt de Vleutenseweg naar rechts om op een rommelig kruispunt de Spinozaweg te kruizen. Daarna koerst de weg in een mooie, rechte lijn naar het centrum, langs het Majellapark en Lombok, langs scholen, oude huizen, nieuwbouw en vooral langs een splinternieuwe busbaan, om de paar honderd meter voorzien van mooie, glimmende haltes met (deze week) reclame voor de zomerjurkjes van Zeeman, 4 euro 99 – je vraagt je af hoe het kan voor dat geld.

De Vleutenseweg heeft een grote attractie, en een paar kleine. De grote is De Dom waar de straat recht op af lijkt te gaan. Met iedere meter kom je dichterbij het geheim van Utrecht, lijkt het. Je wordt als het ware de geschiedenis ingezogen, al moet je er wel gevoelig voor zijn. Het mooiste is een wat nevelige, zomerse ochtend; dan is die hoge toren net niet goed zichtbaar, maar des te krachtiger aanwezig.

Een mooi, altijd weer feestelijk ijkpunt is het Surinaams eethuis en afhaalcentrum De Waterval, halverwege aan de rechterhand, op een hoek. Het pand is wit geschilderd, en de naam spat er van af. De Waterval – een fris en kletterend woord, je zou willen dat er een waterval wás aan het einde van de Vleutenseweg. Maar niets daarvan, uiteraard, aan het einde van de Vleutenseweg heb je braakliggende terrein (zoals overal in Utrecht), een verkeersplein en spoorbruggen. In een krot op de hoek zit nog wel kapsalon De Poolster gevestigd. Bij mooi weer hangt de kapper op een oude keukenstoel voor zijn zaak op klanten te wachten. Een deur verder is snackbar Alanya gevestigd, en schuin aan de overkant Harko, voor uw schotelantennes.

Dit alles is misschien heel weinig, maar toch: ik stond gisteren op de Vleutenseweg voor een stoplicht te wachten en over het zebrapad naderde een moeder met twee jongetjes, aan iedere hand één, zoals het hoort. Ze kwamen uit een straat bij het park en gingen in Lombok naar de kapper, de jochies dus – en ze verheugden zich er op. Voor me zag ik de Dom naar de hemel reiken, en alles leek even helemaal zoals het hoorde. Zo weinig is dat niet.

Martin Bril, 22 juni 2007